Ik teken,
ik kopieer,
ik word verleid

 
Waarom refereert een liniaallijn aan een technische tekening en aan maat, perspectief, beheersing of exacte weergave en een lijn die een vorm volgt eerder aan betekenis, emotie, niet-exactheid? En hoe zit dat bijvoorbeeld met het achtergelaten spoor van een uitgegumde lijn?

Om vragen als deze te onderzoeken, beperkte ik me tot grafiet en papier. Als uitgangsvorm nam ik de naakte vrouw. Ik kopieerde ze van naaktfoto’s uit begin vorige eeuw. Zo zoekend naar een essentie van de tekening, moest ik tot mijn verbazing steeds weer constateren dat zowel het naakt als de tekening de kijker wil verleiden. En zo zag ik de zinloosheid in van deze mezelf opgelegde beperkingen.

Ik greep naar kleur en alles wat sporen achterlaat op papier. Ik keek naar werken van o.a. Andriesse, Beckmann, Daniëls, Dumas, Guston, Magritte, D. Richter, G. Richter, Scholte, vd Sterren, Strik, Tuymans e.a.

En ik verliet de naakte vrouw als enige voorstelling. Ik ontdekte dat de houdingen op de foto’s die ik kopieerde veel leken op naakte vrouwen op schilderijen/tekeningen uit de 15de,16de, 17de en 18de eeuw. Afgebeeld in religieuze vertellingen en mythen of doelloos neergezet in een arcadisch landschap. Wat me verwonderde aan deze naakten, was dat ze vaak volkomen natuurlijk en zonder noodzaak zijn opgenomen in de voorstelling. Was dat een bevestiging van mijn veronderstelling dat het kunstwerk wil verleiden?

Ja. Door de kunstgeschiedenis bladerend, zag ik in dat verleiden een doel is van een kunstwerk. Een verleidelijk naakt kan bijvoorbeeld opgenomen zijn in een religieus schilderij dat kuisheid propageert. Een gruwelijke voorstelling kan onovertroffen! fantastisch! in de olieverf zitten. En de kijker vindt het een goed schilderij.

Verleiden kan dus tegenstrijdige belangen dienen. En willen wij, argumenterende mensen, niet altijd graag verleid worden?

Hoe meer we zien,
hoe meer we kunnen bedenken,
hoe meer we kunnen geloven wat we zien

 
Vanaf dit moment is de kunstgeschiedenis de bron van mijn kopieertekeningen. Ik kopieer zonder chronologie, zonder rekening te houden met de specifieke betekenis van oorspronkelijke tekening, gravure, schilderij of beeld.

Mijn voorstellingen samenstellend, zoek ik naar een combinatie van herkenbare vormen, houdingen of objecten die tot een “denkbeeld” leidt. Ogenschijnlijk verwijst zo’n combinatie naar een betekenis, maar als totaalbeeld kan het toch niet exact gedecodeerd worden. Zo ontstaan er, in plaats van eenduidige verklaringen, voor de kijker meerdere gedachtegangen. En hoe meer we zien, hoe meer we kunnen bedenken, hoe meer we kunnen geloven wat we zien. Hoe meer gedachtegangen legitiem zijn.

Binnen de kunstgeschiedenis word ik verleid door steeds terugkerende kopieerfavorieten voor mijn tekeningen: Cranach, Dürer, van Eyck, Holbein, van der Goes, Goltzius, Goya, Grünewald, Ingres, Jordaens, Manet, Picabia, Pontormo, Velazques, da Vinci, van der Weyden. Op de een of andere manier dagen deze kunstenaars mij uit om met hun voorstelling aan de haal te gaan. Een roze bovenlijf op een blauw been van Pontormo, een kogelzwart oog van Goya of de humor van Dürer, Jordaens en Goltzius. Of het volkomen leiden van Grünewald.

Voor één tekening kopieer ik vaak van meerdere kunstwerken. Van iedere tekening registreer ik welk gedeelte van een gravure, tekening of schilderij ik gekopieerd heb. Het maximale formaat van mijn tekeningen is 80 x 110 cm. De laatste 150 hebben allen hetzelfde formaat: 40 x 55 cm. De tekeningen hebben geen titels, maar zijn chronologisch genummerd.

Nu, na bijna 400 tekeningen, ga ik ervan uit dat in een tekening betekenisverlening en verleiding hand in hand gaan. Beide elementen verstoppen zich in voorstelling, materiaalgebruik, kleur, drager of presentatie.

Of maakt het allemaal toch niet uit, als het maar verleidt?

Mariken Van Bommel
januari 2014


Loading